Hoe stel ik spanningsloosheid vast bij werken aan elektrische installaties?

Het is verboden om werkzaamheden aan elektrische installaties uit te voeren onder spanning. Een elektrische installatie moet spanningsloos gesteld worden via het principe van de ‘vitale vijf’.

Het vaststellen van de spanningsloosheid gebeurt – om veiligheidsredenen- met een dubbelpolige spanningsaanwijzer. We spreken dan van een Duspol.

Spanningsloosheid wordt het best bepaald via ‘de driepunt methode’:

• eerst meten we de spanning op het deel van de installatie waarvan we zeker zijn dat het onder spanning staat.
• Vervolgens meten we op het spanningsloos geschakelde deel.
• Tot slot meten we opnieuw spanning op het gedeelte dat nog onder spanning staat. Op die manier bekomen we de zekerheid dat het meettoestel naar behoren functioneert en zijn we er ook zeker van dat het buitenspanning geschakelde deel, ook effectief niet meer onder spanning staat.

De twee bedieningsknoppen van een Duspol moeten gelijktijdig ingedrukt worden, om een meting uit te voeren. Wil u 230V spanning vaststellen, dan zal de Duspol dat aangeven met een led-indicatie en het trillen zal de stroom-indicatie voelbaar maken.

De Duspol heeft een laagohmige weerstand en die zorgt ervoor dat de installatie ontladen wordt, wanneer met beide duimen de bedieningsknoppen gelijktijdig worden ingedrukt.

De tijd van inschakeling en de maximale stroom die door het toestel mag vloeien, wordt op het toestel aangeduid. Wanneer er bijvoorbeeld 0,3A vloeit, bij een spanning van 230V, zal er 69 W vermogen ontwikkeld worden (0,3A x 230V = 69 W.) De Duspol zal deze warmte moeten kunnen afvoeren, daarom moet de inschakelduur beperkt worden tot 30 seconden.

Volgens de regel van goed vakmanschap mag u met de meetpennen geen kortsluiting kunnen veroorzaken. Daarom zijn de meetpennen voorzien van een klein metalen puntje zodat de kans op kortsluiting zeer klein wordt. 

Terecht kunnen met al je technische vragen? Word lid van Nelectra en krijg een vaste hulplijn!