Right to repair: goede intenties, maar grote vragen voor onze sector
De Europese “Right to Repair”-richtlijn moet tegen 31 juli 2026 in Belgisch recht worden omgezet. De doelstelling is duidelijk: herstellen moet aantrekkelijker worden dan vervangen.
Dat principe is begrijpelijk. Tegelijk zien wij belangrijke knelpunten voor onze sector.
De richtlijn vertrekt in essentie vanuit verplichtingen voor de fabrikant, die herstel mogelijk moet maken, ook buiten de garantieperiode. In de praktijk merken wij echter dat de gevolgen mee doorschuiven naar de retailer/eindverkoper, die het eerste aanspreekpunt blijft voor de klant. Die retailer wordt geconfronteerd met vragen, verwachtingen en discussies over herstellingen.
Samen met UNIZO hebben wij hierover gezamenlijk input aan de beleidsmakers gegeven.
Voor ons is vooral de verhouding met de bestaande garantieregels een cruciaal aandachtspunt. Vandaag blijft de verkoper verantwoordelijk voor de wettelijke garantie, terwijl de richtlijn tegelijk inzet op herstelmogelijkheden via de fabrikant. Dat dreigt in de praktijk voor problemen te zorgen, zeker wanneer een consument een herstelling buiten de eindverkoper om laat uitvoeren en nadien alsnog terugvalt op zijn garantierechten.
Ook de verlenging van de garantie met één jaar -door herstel binnen de tweejarige garantieperiode- verdient bijzondere aandacht. Daarbij moet duidelijk worden vermeden dat het vermoeden van non-conformiteit automatisch wordt doorgetrokken naar dat bijkomende garantiejaar. In België geldt vandaag al een verregaande regeling waarbij de bewijslast gedurende de volledige twee jaar van de wettelijke garantie bij de verkoper ligt. Dat mag niet nog verder uitgebreid worden, maar dat is momenteel onduidelijk. Er werd gelobbyd dat in het extra jaar na herstel de gewone bewijsregels moeten gelden, zodat de consument dan zelf moet aantonen dat het gebrek al bij de levering aanwezig was. Daar hebben we dan ook sterk voor gepleit want de verlenging van de garantietermijn an sich, kan niet worden tegengehouden, aangezien dit vanuit Europa wordt opgelegd.
De richtlijn voorziet een aantal verplichtingen voor fabrikanten. Zo moet hij onder meer indicatieve prijzen voor bepaalde herstellingen publiceren en herstellingen aan “redelijke kosten” aanbieden. Op het eerste gezicht lijkt dit een verplichting die enkel bij de fabrikant ligt, maar ook daar heeft dit in de praktijk een directe impact op onze leden. Wanneer zulke prijzen publiek worden gemaakt, zullen klanten deze automatisch als referentie gebruiken. Dat kan leiden tot discussies wanneer de effectieve kostprijs bij de retailer of installateur afwijkt, bijvoorbeeld door werkuren, verplaatsingen of specifieke omstandigheden. Daarnaast blijft onduidelijk wat juridisch precies als “redelijk” wordt beschouwd, wat opnieuw onzekerheid creëert.
Tegelijk ligt er ook een duidelijke opportuniteit die vandaag onbenut blijft. Europa laat al toe om een verlaagd btw-tarief toe te passen op herstellingen van elektrische en elektronische toestellen en schuift dit zelfs naar voren als een belangrijke hefboom om reparatie te stimuleren. In België wordt die mogelijkheid voorlopig niet benut. Voor Nelectra is dit een duidelijke prioriteit. Een btw-tarief van 6% op herstellingen, inclusief werkuren, onderdelen en verplaatsingskosten, zou een directe en concrete stimulans zijn voor herstel in plaats van vervanging. Dit sluit tevens aan bij wat wij eerder hebben geopperd in ons memorandum en werd aldus opnieuw aangekaart.
Nelectra heeft samen met UNIZO intensief lobbywerk verricht om deze punten onder de aandacht te brengen. Wij blijven dit dossier nauw opvolgen en blijven aandringen op duidelijke, werkbare regels die rekening houden met de realiteit van onze leden, elektroretailers.